NL
EN
Museum

Philips: een sociale onderneming


Op 16 april 2005 werd de honderdste verjaardag van Frits Philips op indrukwekkende wijze gevierd. Eindhoven was voor die dag officieel omgedoopt tot Frits Philips Stad, met onder andere een Frits Philips treinstation, een eigen munteenheid, ’t Fritske, en een uitvoering in het Frits Philips Muziekcentrum van de Frits Philips-ouverture door het Philips Symfonie Orkest. Acht maanden later, bij zijn overlijden op 5 december, gaven de inwoners van Eindhoven nogmaals massaal uiting aan hun waardering voor Frits Philips. In een speciale editie schreef het Eindhovens Dagblad dat ‘zonder zijn invloed Eindhoven niet de stad zou zijn geworden die zij nu is’. Frits Philips, aldus de krant, koesterde zijn werknemers en zorgde voor betaalbare woningen, studiebeurzen en voorzieningen op het gebied van sport en cultuur.
Aandacht voor het welzijn van werknemers had Frits Philips niet van een vreemde. Als president van de N.V. Philips zette hij het sociale beleid voort van zijn oom Gerard, van vader Anton en zijn zwager Frans Otten. Al in 1900 kende Philips als een van de eerste bedrijven in Nederland een Ziekenpot die bij ziekte een uitkering verstrekte van 70 procent van het gederfde loon. In 1909 werd de Philips’ Geneeskundige Dienst opgericht met vrije huisartsenhulp en gratis genees- en verbandmiddelen voor werknemers en hun gezinsleden. Verder kwam er een volledig ingerichte polikliniek, een Philips consultatiebureau, een Philips apotheek en een Philips verloskundige dienst. Onder leiding van dr. Burger, die in 1928 was aangetrokken, wordt de Philips Gezondheidsdienst gezien als de bakermat van de bedrijfsgeneeskunde in Nederland.
Eerste experimentele tv uitzendingen in de jaren '30
Medische dienst, consultatiebureau, Willemstraat in 1923
De oprichting van het Philips’ Pensioenfonds vond plaats in 1913. Het fonds voorzag in ouderdomspensioenen, invaliditeitsuitkeringen en in een weduwe- en wezenpensioen. Naast het pensioenfonds was er het Philips’ Ondersteuningsfonds voor werknemers die buiten hun schuld in financiële problemen waren geraakt. Arbeiders met meer dan drie kinderen konden rekenen op een uitkering uit het Philips’ Kindertoeslagfonds, decennia voordat in Nederland de algemene Kinderbijslag werd ingevoerd.
Mensen dringen bij televisiedemonstratie in winkel, 1950
Pensioenfonds per 1 januari 1918
Met de groei van de onderneming werd het vinden van goede huisvesting voor werknemers een steeds groter probleem. Philips besloot daarop om zelf woningen te gaan bouwen. Philipsdorp kwam tot stand tussen 1910 en 1923. De architectuur ging uit van een dorps karakter. De meer dan 800 woningen waren omgeven door veel groen en hadden eigen winkels en sport- en ontspanningsvoorzieningen. De ruime huizen kregen gas- en wateraansluitingen en kregen aansluiting op riolering, bijzonder voor die tijd. Na Philipsdorp volgde Drents Dorp en tientallen andere projecten. In 1929 had de onderneming in Eindhoven al bijna 4000 woningen gerealiseerd. In de nieuwe wijken vestigde zich ook de Philips’ Verbruikerscoöperatie (later ETOS) waar werknemers voordelig voedsel en huishoudelijke producten konden kopen.
Testbeeld kleurentelevisie van Philips, ontwerp van Finn Hendil 1966
Philipsdorp in circa 1918
Onderwijs was een ander speerpunt in het sociale beleid van Philips. In 1916, ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum, schonken Gerard Philips en zijn echtgenote het stichtingskapitaal voor het Van der Willigenfonds. Het fonds stelde zich tot doel om beurzen te verstrekken aan studerende kinderen van werknemers. Na het Van der Willigenfonds werd in 1920 de Philips’ Vereniging voor Onderwijs en Volksontwikkeling opgericht en kwamen er scholen voor kleuter-, lager- en middelbaar onderwijs. In 1928 werd de Philips-Jongensnijverheidsopleiding (JNO) in het leven geroepen waar jongens, na de lagere school, een vierjarige vakopleiding kregen. Voor werknemers was er de Bedrijfsschool aan de Kastanjelaan, hier werden alle interne bedrijfscursussen en opleidingen geconcentreerd. Een hoofdstuk apart vormde huishoudonderwijs. Op initiatief van Anna Philips-de Jongh konden ‘Philipsmeisjes’ vanaf 1916 in de avonduren huishoudelijk onderwijs volgen. Deze activiteit ging een paar jaar later over in de Philips Huishoudschool. 
Testbeeld kleurentelevisie van Philips, ontwerp van Finn Hendil 1966
Strijkles op de Huishoudschool in 1928
Ook voor de ontspanning van het personeel kwamen er voorzieningen. Op 13 augustus 1913 werd de Philips’ Sportvereeniging (PSV) opgericht. De vereniging stelde zich tot doel ‘het beoefenen en bevorderen van verschillende takken van sport in de ruimste zin van het woord’. Een aantal jaren later bestond de Philips’ Sportvereeniging uit de afdelingen atletiek, voetbal, cricket, korfbal, gymnastiek, schermen, duivensport en hockey. Vanaf 1921 vielen de sportactiviteiten organisatorisch onder het Philips - De Jongh Ontspanningsfonds. Op een gegeven moment had Philips in de regio Eindhoven maar liefst veertig hectare aan sportvelden in beheer. De voetballers van PSV, allen werkzaam bij Philips, behaalden in 1929 voor de eerste keer het landskampioenschap.
Testbeeld kleurentelevisie van Philips, ontwerp van Finn Hendil 1966
PSV Sportpark 1920-1929
Naast sport werden er door het Philips - De Jongh Ontspanningsfonds tientallen andere initiatieven gefinancierd, van schaakclubs tot bloemschikcursussen. In 1929 kwam het Philips Ontspanningsgebouw (later het POC) gereed, met een leeszaal, bibliotheek, biljartzaal, bioscoop, schouwburgzaal en verenigingszalen. Toneelgezelschappen uit Amsterdam en Den Haag werden gearrangeerd voor uitvoeringen en ook het Concertgebouworkest verzorgde ieder jaar een aantal uitvoeringen in Eindhoven. Het POC was ook de thuisbasis van de Philips Harmonie (1912), de Philips Orkest Vereniging (1921) en het (nog iets oudere) Philips Philharmonisch Koor.
Testbeeld kleurentelevisie van Philips, ontwerp van Finn Hendil 1966
Ontspanningsgebouw in 1946
Na de Tweede Wereldoorlog droeg Frits Philips de verantwoordelijkheid voor het sociale beleid. Onder zijn aansturing formuleerde de afdeling Sociale zaken, die al sinds 1917 onder leiding stond van G.F. Evelein, de uitgangspunten voor de sociale verplichtingen van de onderneming jegens werknemers. De afdeling diende zich te richten op drie kerntaken: ‘sociale zekerheid, arbeidsvreugde en sociale verantwoordelijkheid’. Geheel in lijn met de persoonlijke overtuiging van Frits Philips werd de individuele aandacht voor werknemers beklemtoond: ‘Aan alle medewerkers moet in de ruimsten zin aandacht worden geschonken, niet in de eerste plaats als produktiefactor, maar vooral ook als mensch. In het personeelsbeheer dient de menselijke factor vooropgesteld te worden’. 
 
De afdeling Sociale Zaken groeide in de naoorlogse periode van wederopbouw uit tot een zeer groot, in menig opzicht zelfstandig bedrijfsonderdeel. Door de toename van het aantal werknemers – in Nederland steeg het personeelsbestand van 22.000 in 1945 naar 98.000 in 1970 – kwam werk dat voorheen vaak door vrijwilligers werd gedaan nu in professionele handen. De afdeling was onder andere verantwoordelijk voor de uitvoering van sociale wetgeving en het verzorgen van voorzieningen op het gebied van onderwijs, ontwikkeling en ontspanning. Naast uitbreiding van bestaande taken – in 1960 was bijvoorbeeld het woningbezit in Eindhoven gestegen tot 8.600, bijna een kwart van de totale woningvoorraad – kwamen er ook nieuwe initiatieven van de grond. Het Philips’ Gezondheidscentrum kreeg een consultatiebureau voor medische bedrijfspsychologie en er kwamen programma’s voor bedrijfskadertraining en voor specifiek op de werkplek gerichte scholing. In Someren verrees een Kampeercentrum speciaal voor Philips’ werknemers. Verder bleven de sociale activiteiten uiteraard niet beperkt tot Eindhoven of Nederland. Ook de 260.000 werknemers (1970) buiten Nederland konden rekenen op sociale voorzieningen, afgestemd op lokale verhoudingen en omstandigheden. 
Testbeeld kleurentelevisie van Philips, ontwerp van Finn Hendil 1966
Kleuterschool op de Mathildelaan in 1950
In het laatste kwart van de vorige eeuw brak er een fase aan van toenemende overlap tussen de sociale voorzieningen van de onderneming en die van de overheid. De in een snel tempo opgebouwde Nederlandse verzorgingsstaat kende een uitgebreid stelsel van uitkeringen, publieke gezondheidszorg, sociale woningbouw, vrij toegankelijk onderwijs, sociale woningbouw, studiefinanciering, vrij toegankelijk onderwijs en subsidies voor sport en cultuur. Dit bracht een discussie op gang over de afbakening van verantwoordelijkheden tussen overheid en onderneming. Van meerdere kanten, onder andere vanuit de vakbeweging en politiek, kwam er kritiek op een veronderstelde dominante positie van Philips in de samenleving. Van belang hierbij was ook dat met de toegenomen welvaart, werknemers geëmancipeerder en mondiger waren geworden. Het sociale beleid van Philips, zo was de brede opinie, had paternalistische trekken, niet passend bij een moderne welvaartstaat. De onderneming reageerde met een geleidelijke aanpassing van geboden sociale voorzieningen aan de gewijzigde omstandigheden en behoeften.
 
Een grote verandering was de verzelfstandiging in 1980 van de eerstelijnszorg van de Philips Medische dienst. De meeste werknemers beschouwden het niet langer als wenselijk dat een behandelend arts of maatschappelijk werker eveneens in dienst was bij Philips. Enige tientallen bedrijfshuisartsen, verpleegkundigen en apothekers vonden een nieuw onderdak bij de daartoe opgerichte Stichting Gezondheidscentra Eindhoven. De volgende stap was het inzicht dat de Philips’ scholen - van kleuterschool tot vakopleidingen – als openbare instellingen beter in staat zouden zijn hun taak uit te voeren. Ook de talloze sport- en gezelligheidsverenigingen gingen
zelfstandig verder, doorgaans nog wel (mede) gefinancierd door Philips. Dat gold eveneens voor de professionele tak van de voetbalvereniging PSV. Ingrijpend was de overdracht van vrijwel het gehele woningbezit van de onderneming, ruim 17.000 verhuureenheden, aan de Woonstichting Hertog Hendrik van Lotharingen. Bij de verzelfstandiging of beëindiging van sociale voorzieningen speelden een enkele keer financiële motieven een rol, maar doorgaans waren andere overwegingen van groter gewicht. Zo werd bijvoorbeeld rond de eeuwwisseling vrijwel geen beroep meer gedaan op het Philips’ Ondersteuningsfonds dat werknemers hielp bij financiële problemen. Emotioneler lag voor velen de beëindiging van het Van der Willigenfonds. Het fonds had over een periode van 101 jaar voor tienduizenden studenten de toegang tot hoger onderwijs mogelijk gemaakt. 
 
De toegenomen welvaart en de gewijzigde maatschappelijke en economische omstandigheden hebben geleid tot een andere invulling van het sociale beleid van de onderneming. De ambitie om de hoogste sociale normen na te streven is echter onveranderd en diep verankerd in de bedrijfscultuur. Tegenwoordig maakt het sociale beleid van Philips onderdeel uit van de zogenoemde ESG Commitments. Hierin zijn niet alleen de verplichtingen richting eigen werknemers vastgelegd, maar wordt ook verantwoordelijkheid genomen voor werknemers bij toeleveranciers. Dit alles binnen de algemene maatschappelijke doelstelling om als onderneming het leven van mensen te verbeteren. 
Foto’s © Philips Company Archives

Toegankelijkheid

Het Philips Museum is toegankelijk voor rolstoel en scootmobiel.

Geleidehonden toegestaan

Stichting tot Behoud van Historische (Philips-) Producten (SBHP)

Oude Philips-producten, foto’s, brieven en documenten kun je doneren aan ons museum. Kleine voorwerpen kun je afgeven aan de balie. Je kunt ook terecht bij de Stichting tot Behoud van Historische (Philips-) Producten via www.philips-historische-producten.nl of mail naar info@sbhp.nl.

Contact

Philips Museum
Emmasingel 31

5611 AZ Eindhoven


+31 (0)40 235 90 30

bereikbaar ma - za 9:00 tot 17:30


info-museum@philips.com

bereikbaar ma - vr 9:00 tot 17:30

U kunt onze website het beste bekijken met de nieuwste versie van Microsoft Edge, Google Chrome of Firefox.