Het onderzoek van Tessa Roseboom voert terug naar de nadagen van de Tweede Wereldoorlog, in de winter van 1944-1945. Vijf maanden lang wordt het westen van Nederland geteisterd door een ongekende voedselschaarste. Volwassenen moeten het doen met een dagelijks rantsoen van twee aardappels, twee sneetjes brood en een halve suikerbiet. De Hongerwinter, zoals deze winter later is gaan heten, kost aan twintigduizend mensen het leven. Maar daar blijft het niet bij. De gevolgen van de ondervoeding zouden nog lang voelbaar blijven. Tot de volgende generatie aan toe.
Uit onderzoek van Roseboom blijkt dat kinderen van “Hongerwinter-moeders” de sporen van die noodlottige winter nog steeds met zich meedragen. Zeventig jaar na dato kregen zij vaker een hartinfarct dan kinderen van moeders die wel voldoende te eten hadden gehad. Ze kregen zelfs twee keer zo vaak een hartinfarct als hun moeder in de eerste 13 weken van de zwangerschap ondervoed was geweest. Ook het cholesterol- en glucosegehalte in het bloed was hoger bij kinderen van deze moeders.
“Juist tijdens de vroege ontwikkeling is de invloed van de omgeving het grootst,” legt Roseboom uit. “Wat je als moeder in de eerste fase van de zwangerschap eet, heeft blijvende gevolgen voor de gezondheid van je kind.” Dat effect is later niet meer te herstellen, laat het Hongerwinter-onderzoek zien. “Als moeders na de eerste 13 weken weer voldoende te eten hadden, was de schade al aangericht. Het kind had dan nog steeds een grotere kans op gezondheidsproblemen op latere leeftijd.”