Minimaal invasieve behandeling voor boezemfibrilleren

februari 10, 2012

 

De sinusknoop (SA-knoop) en de atrioventriculaire knoop (AV-knoop) maken deel uit van het elektrische regelsysteem van het hart dat de hartslag coördineert.


Ze verzorgen samen de elektrische verbinding tussen de boezems of atria (de twee bovenste kamers van het hart) en de ventrikels (de twee onderste hartkamers).


Normaal begint de elektrische prikkel van het hart bij de sinusknoop en verspreidt deze prikkel zich over de boezems, om vervolgens de AV-knoop te activeren. De AV-knoop fungeert in de regel als enige elektrische toegangspoort tussen boezems en ventrikels. Na een korte vertraging worden de prikkels daar doorgegeven.


Prikkeling van het hart via de normale geleidingsbaan resulteert in correcte samentrekking van de hartspieren (waardoor het hart gaat pompen) en is zichtbaar als een normaal sinusritme (golfpatroon) op een oppervlakte-elektrocardiogram (ecg).

Bij boezemfibrilleren of atriumfibrilleren (AF), een hartritmestoornis van de boezems, wordt de elektrische prikkelgeleiding over het hart niet meer gestimuleerd door de SA-knoop. In plaats daarvan is er sprake van continue elektrische activiteit via abnormale en steeds variërende geleidingsbanen over het gehele boezemoppervlak heen.


Dat resulteert in een ontregelde samentrekking van de hartspier. Aangezien de AV-knoop als elektrische toegangspoort tot de ventrikels fungeert, wordt er nog wel een normaal ventriculair activeringspatroon waargenomen. De prikkelgeleiding verloopt echter onregelmatig (zoals zichtbaar is op het oppervlakte-ecg).

De verborgen bronnen van de abnormale geleidingsbanen bij AF bevinden zich meestal in de longaders, die de linker boezem van bloed voorzien.


Een minimaal invasieve behandelmethode bij AF bestaat uit het opvoeren van een ablatiekatheter naar de longaders, waarmee dan telkens een ring van ‘brandwonden’ rond elk bloedvat wordt aangebracht. Deze brandwonden zorgen ervoor dat het hartweefsel elektrisch van de bloedvaten wordt geïsoleerd en de AF-bronnen worden uitgeschakeld.

Een ablatiekatheter wordt op het hartoppervlak aangebracht, waarna ablatie-energie wordt toegevoerd om het weefsel daaronder ‘weg te branden’.


De naadloze ring van transmurale ablatielaesies rond de opening van elke longader zorgt ervoor dat deze bloedvaten elektrisch worden geïsoleerd van de boezems en de AF-bronnen worden uitgeschakeld.